Werkwijze

Het is belangrijk dat jongeren leren wat hun eigen mogelijkheden zijn. Dat geeft hen een gevoel van zelfvertrouwen en stimuleert de zelfstandigheid.

Onze begeleiders spelen een belangrijke rol in het ontwikkelen van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Zij stimuleren wat de jongeren zelf kunnen en ondersteunen in verdere ontwikkeling. Dit doen we met behulp van het Sociaal competentiemodel en het EIM-model (Eigen Initiatief Methode-model).

Sociaal competentiemodel

Ascensio Zorg gaat uit van de gedachte dat iedereen kwaliteiten bezit, maar daar wordt niet altijd gebruik van gemaakt. Het is voor deze jongeren belangrijk dat zij gebruik weten te maken van hun mogelijkheden en om kunnen gaan met hun beperkingen.

Competentiegerichte hulpverlening richt zich op het versterken van potentiële krachten in de jongere zelf en/of zijn directe omgeving. De nadruk ligt op een positieve benadering waarbij het in eerste instantie gaat om het leren van nieuw gedrag. Bij het aanleren van nieuw gedrag wordt gebruik gemaakt van leertheoretische principes.

Volgens het sociaal competentiemodel zijn er in een levensloop verschillende ontwikkelingtaken te vervullen. Om deze taken te vervullen moeten vaardigheden geleerd worden. Het vervullen van de ontwikkelingstaken vormt een noodzakelijke voorwaarde voor een goed verloop van de ontwikkeling.

Er wordt van competentie gesproken als de vaardigheden van een jongere toereikend zijn om de ontwikkelingstaken te vervullen die kenmerkend zijn voor de levensfase waarin de persoon verkeert. Als de ontwikkelingstaken te zwaar zijn of wanneer er zich teveel ontwikkelingstaken op een tijdstip aandienen, kan het evenwicht verstoord raken en functioneert de jongere niet op competente wijze. Hetzelfde gebeurt als de jongere niet over voldoende vaardigheden beschikt. Competentie wordt gezien als een evenwichtstoestand.

Eigen Initiatief Model

Binnen het sociaal competentiemodel wordt gewerkt met het Eigen Initiatief Model (EIM). Het EIM is een leermodel voor mensen met een verstandelijke beperking, hun begeleiders, onderwijzers en familie. Bij het EIM gaat het er om dat mensen met een verstandelijke beperking leren zelf na te denken over allerhande zaken waarmee zij in het dagelijks leven te maken krijgen. Als zij zelf kunnen nadenken kunnen zij beter keuzes maken en vergroten zij hun zelfstandigheid thuis, op school, op het werk, in hun vrije tijd en in hun sociale relaties.

Uitgangspunt van het EIM is dat de problemen die mensen met een verstandelijke beperking hebben met het toepassen van geleerde vaardigheden, voortkomen uit een gebrek aan leerervaringen.

EIM gaat ervan uit dat mensen met een verstandelijke beperking door training kunnen leren nadenken over bijvoorbeeld eigen mogelijkheden en de manier waarop zij uiteenlopende situaties kunnen benaderen. Voor een dergelijke training is het dan wel noodzakelijk dat instructies en aanwijzingen tijdens, maar ook na de training, worden gericht op het denkproces dat ten grondslag ligt aan het handelen. Instructies in EIM zijn directief op denkniveau en non-directief op handelingsniveau.

Dit betekent dat diegene die instructies en aanwijzingen geeft, steeds voor ogen houdt dat hij de ander moet helpen na te denken over wat hij doet. Als hij de ander namelijk voortdurend zegt wat hij moet doen, dan krijgt deze niet de gelegenheid zelf te denken. In dat geval is het niet zo vreemd dat iemand - na een training - ook niet in staat is zelf te bedenken op welke manier hij moet handelen. Hij heeft dat immers niet geleerd.

Ervaringsleerprincipe

De toegepaste methodiek op Ascensio Zorg is herleid uit het ervaringsleerprincipe volgens het model van D. Kolb en met het Outward Bound model als uitgangspunt. Op basis van deze twee methodieken, of modellen, is er een methodiek ontstaan die door jaren van toepassing, bijstelling en ervaren is geworden/geëvolueerd tot wat het nu is.
Door vanuit een veilige structuur in een herkenbare omgeving een specifieke, nieuwe situatie te creëren wordt de cliënt in staat gesteld ervaringen op te doen die hij kan implementeren/toepassen op zijn specifieke oude/eigen situatie. Door de nieuwe ervaringen te begeleiden kan tot beeldvorming gekomen worden die de cliënt in staat stelt nieuwe situaties anders te evalueren en zodoende, langzaam/in zijn eigen tempo, zelfstandig naar het leermoment te groeien. Er wordt op een actieve manier appel gedaan op het probleemoplossend vermogen van een cliënt doordat de omgeving fysiek uitdagend is.
Ervaringsleren is: het creëren van een specifieke situatie die cliënten in staat stelt concrete ervaringen op te doen op grond waarvan zij gemotiveerd raken en in staat gesteld worden om nieuwe gedragsalternatieven te kiezen.
Een goede combinatie tussen de concrete ervaringen en de daardoor nieuw gecreëerde mentale schema’s leiden tot nieuwe leerprocessen die uiteindelijk de cliënt autonomie doen verwerven, waardoor deze een breder/ verbeterd toekomstperspectief krijgt.

  • op veiligheid en veiligheidsbeleving gerichte structuur, vanuit ordening en betrokkenheid;
  • mentorsysteem naast groepsgerichte benadering;
  • standaard in het behandelingsprogramma is het werken aan sociale en praktische vaardigheden aan de hand van een voor deze doelgroep ontwikkelde beoordelingslijst;
  • kortdurende fiets-/kano-/loop-/overlevings/ en kampeerprojecten;
  • activiteitenaanbod: conditietraining, motorcross, fietsen, wandelen en veel spel.
  • Expliciet aandacht voor doorstromingsmogelijkheden en onderzoek toekomstperspectief van een nieuwe, zo zelfstandig mogelijke thuissituatie;
  • Aanvullende therapie op indicatie.

Uiteenzetting

In de jaren zeventig zijn er vele experimenten geweest om een effectievere werkwijze binnen de hulpverlening ten behoeve van ernstig ontspoorde jongeren te ontwikkelen. Vanuit het idee en de ervaring dat de traditionele hulpverlening - die vaak sterk verbaal gericht was (en is) - niet de beoogde resultaten opleverde, ging een aantal instellingen zich steeds sterker richten op een actievere vorm van hulpverlenen, waarbij het ‘doen’ centraal stond. Met de positieve ervaringen met programma’s die waren gebaseerd op activiteiten in de natuur (Outward Bound School, Wilderness Challenge Programs etc.) als voorbeeld, ging het veelal om intensieve, kortdurende programma’s gericht op sport, werk, avontuur en overleven. Het ervaringsleren als hulpverleningsmethodiek was geboren. Het ervaringsleren was in. Vele instellingen begonnen met experimenten op basis van deze methodiek. De jeugdhulpverlening verplaatste zich op allerlei manieren (kanoënd, fietsend, lopend en met de auto) door heel Europa, van Noorwegen tot Spanje. De Ardennen werd een van de drukste ‘hulpverleningsgebieden’. Als we terugkijken op deze periode kan gesteld worden dat het een aantal van deze instellingen lukte zeer positieve resultaten te ontwikkelen.

“To serve, to strive and not to yield”.

“Te helpen, te streven, en niet toe te geven.”

Wijze woorden van Kurt Hahn die in 1941 de waarde van de methodiek ervaringsleer erkende en vervolgens de noodzaak in praktijk bracht door de eerste Outward Bound School ter wereld te stichten in Aberdovery, Wales England.

Vier elementen van Hahn’s ervaringstherapie:

  • Fysieke training door middel van sport en spel.
  • De expeditie. Een tocht van een aantal dagen die om een intensieve planning en voorbereiding vraagt van ...
    Naast (sport)activiteiten is er ook aandacht voor verzorging, reizen, etc.
  • Het project. De nadruk ligt op een proces- en productieoriëntatie. Het project is thematisch waarin handwerk en techniek centraal staan.
  • Dienstverlening aan de medemens, bijvoorbeeld verzorgende activiteiten, reddingsdiensten of eerste hulp activiteiten.